Verslag

Moe 7Mijn moeder is overleden afgelopen maandag. Dat was vreselijk nieuws. Tegelijkertijd besefte ik dat ik al een tijdje op dit telefoontje had zitten wachten. Ze was al langere tijd hulpbehoevend, kon en wilde niet meer voor zichzelf zorgen. Vanaf het moment dat ze die wens losliet en zich overgaf aan alle mensen die haar lichamelijke zorg overnamen, werd ze een liever mens. Iedereen in het verpleeghuis vond haar zo lief. Lees verder ze is vredig ingeslapen

Lees verder

Er was een workshop Familieverhalen schrijven, waar ik onderstaand verslag over schreef voor Tekstnet.

Er was een boeiende workshop Familieverhalen schrijven
door filosoof en schrijver Tanny Dobbelaar, bijgestaan door Lilian de Bruijn, redacteur bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).

Er was een voorstelronde waarin men nog wat aarzelend de plannen voor een familieverhaal ontvouwde. Veel mensen bleken nieuwsgierig naar hoe je dat nou aanpakt, hoe je jezelf gemotiveerd houdt, hoe je omgaat met je eigen rol in je familiegeschiedenis. Een aantal historici had al eens wetenschappelijk verantwoorde werken gepubliceerd en hun vingers jeukten om hun eigen stem te laten horen.

Er was een eerste opdracht om een mindmap te maken met je hoofdpersoon in het midden en jij er bij in jouw relatie tot die hoofdpersoon. Voor een aantal was dat best lastig, omdat ze als hoofdpersoon een voorouder hadden gekozen van wie ze alleen de naam wisten. Toch bleek later dat ze heel wat te melden hadden over de geschiedenis van die persoon. Tanny legde uit dat, als je ieder jaar trouw iedere dag iets schrijft, al is het maar voor 5 minuten, dat er na een half jaar vanzelf iets boven komt drijven.

Er was de aanschaf van het boek en de belofte het verslag spoedig te maken. Belofte ingelost. Inspiratie gewonnen. Opzet van mijn vaders verhaal zo goed als ‘in the pocket’. Blij.

Er was sidekick Lilian van het CBG, dat in het gebouw van het Nationaal Archief zit. Zij geeft onder andere workshops aan genealogen: hoe verwerk je al dat in het archief verzamelde materiaal, welke weg bewandel je daarvoor. Een van haar adviezen aan de genealogen luidt: vertrek vanuit jezelf, want daar begint je familiegeschiedenis. En ons gaf ze de goede raad van Gerard Reve door: “Echt gebeurd is geen excuus.” Een verhaal is pas interessant als je jezelf erin stopt, geen opsomming van feiten.

Er was een regelmatig terugkerend voorlezen van citaten van allerlei bekende en minder bekende auteurs, die de stoute schoenen aantrokken om hun familiegeschiedenis op te schrijven. De citaten staan in het boek van Tanny, ‘Familieverhalen – De kunst van het schrijven over je naasten’. De meeste besproken boeken staan onderaan.

Er was een emotie en een inzicht toen ik bevestigd kreeg dat ik op de goede weg ben met het verhaal van mijn vader. Archiefonderzoek heb ik gedaan, het internet heb ik al afgestroopt naar tijdsbeelden (vooral YouTube bleek een overvloedig beschikbare leverancier), de vragen aan zijn memoires heb ik allang uitgewerkt. En het thema dat ook mijzelf raakt had ik al bedacht. Maar vrouw die ik ben was ik natuurlijk veel te onzeker om daarvan uit te durven gaan.

Er was een driftig schrijven op basis van de vijf opdrachten. De laatste opdracht voorzag ons van de vorm waarin ik dit verslag heb geschreven. Met dank aan ‘Koerikoeloem’ van Tjitske Jansen.

Er was opdracht vier om uit sprookje, ode, brief, detective, dagboek, tweets, reisverhaal, reportage en Dag uit het Leven drie genres te kiezen waarin je over de hoofdpersoon iets mocht schrijven. Een losse flard, een fragment, een paar zinnen waarvoor je de eerder vastgestelde, tastbare feiten kon gebruiken. Mijn buurvrouw kon vanwege een ernstig RSI-probleem niet schrijven. Zij onthield het. Knap.

Er was een opsomming van drie valkuilen. De eerste is dat de ‘ik’ in je verhaal te onpersoonlijk wordt, een alwetende verteller zoals in de boeken van Dickens. Blijf je te feitelijk, dan verhaal je als een camera wat je hebt geregistreerd. Oninteressant. De tweede valkuil is die van te particulier blijven. Sommige zaken zijn alleen relevant voor jezelf of je familie. Dat levert evenmin een boeiend verhaal. Alleen leesbaar voor OSM. Wat wel boeit zijn zo verhalend mogelijk vertelde familieanekdotes of een verzonnen dialoog zoals die zou kunnen hebben geklonken. En de derde is de valkuil van de rechtvaardiging, dat je bij voorbaat jezelf vergoelijkt. Eendimensionaal, alleen jezelf een podium geven.

Er was een hele enthousiaste deelnemer (ik zei de gek) die meteen Tanny’s boek kocht en thuis een berg aantekeningen doorzocht op bruikbaarheid. Het kleine vlammetje is weer gaan groeien, mijn vingers jeuken. Het zou toch fijn zijn alleen hier mee bezig te kunnen zijn…

Vanwege privacyrechten plaats ik de fotocollage er niet bij. 

Lees verder

Nadat ik de recensie van Get Social!, het eerste boek van Jeanet Bathoorn, op mijn website had geplaatst, heb ik het boek uitgeleend aan allerlei mensen voor wie sociale media nog een nieuw fenomeen waren. Het ligt nu bij een vriendin die al een paar jaar zegt ‘er toch eens mee te moeten beginnen’. Zij is vorig jaar gestart met een LinkedIn-profiel, zonder foto of omschrijving van wie ze is of wat ze doet. Voor mij hoeft ze niet te gaan twitteren of facebooken, integendeel. Haar kracht ligt voor mij in het persoonlijke face-to-face-contact dat ik met haar heb. Daar voegt een Google+- of Pinterest-account niets aan toe.

sociale media moeten (op een bepaalde manier)
Vanuit Jeanets invalshoek is het niet gebruiken van LinkedIn zoals het is bedoeld ‘not done’. In haar inleiding gaat ze in op de huidige maatschappelijke veranderingen en de plek die de sociale media daarin hebben gekregen. Ze noemt de verschuivingen in de samenleving, ze licht toe hoe verschillend de generaties omgaan met de geneugten van de online wereld, ze benoemt de veranderingen in de werkomgeving beschreven in Society 3.0. Op zich niks mis mee.

Jammer alleen dat in haar manier van schrijven je haar morele oordeel over mensen die géén sociale media (wensen te) gebruiken voelt doorsijpelen. “Laten we vooral onze tijd niet verspillen aan het voor of tegen sociale media zijn.” En even verder: “We zullen moeten wennen aan die altijd online aanwezigheid.” Ze baseert haar mening op de leeftijd waarop men met sociale media begint en dat de ‘oudjes’ tegensputteren omdat zij ook weten te communiceren zonder online tools. Ze koketteert met haar eigen ‘oud zijn’ door een opsomming te geven van alle apparaten die zij totnogtoe heeft meegemaakt.

te oud om te leren?
Wat ik vooral jammer vind aan het morele oordeel, is dat ze er blijkbaar van uitgaat, dat de oudere generatie (40+) misschien wel te oud is er nog aan te beginnen. Maar je vindt het leuk om zo’n modern apparaat te gebruiken of niet. Niet iedereen vindt werken op een computer of telefoon of iPad fijn. Zij vragen zich af waarom ze ook iedere dag op zo’n apparaat moeten zitten pielen. Of ze hebben het geld er niet voor over.

Moeten ze die sociale media gaan gebruiken alleen om aanwezig te zijn? Dan is het ‘slechts’ vragen om aandacht, een gegeven waarvan die oudere generatie weet dat je dan wordt overgeslagen. Je meldt pas iets in het publieke domein als je iets wezenlijks en belangrijks te melden hebt. Veel van deze mensen hebben wel een account maar gebruiken het nooit. Niet alleen omdat ze het niet begrijpen, maar omdat ze de zin er niet van inzien. Ze vinden het eerder a-sociaal, die media.

Dus als mensen zeggen dat ze ‘zich er nog eens in moeten verdiepen’, is dat eerder de boodschap dat ze de boot al gemist hebben maar daar niet mee zitten. En daar is helemaal niks mis mee, in onze tijd van keuzevrijheid.

sociale media beantwoorden aan een behoefte
Sociale media moet je zien als op individuele wensen af te stemmen communicatiemiddelen waarmee je zowel zakelijk als privé kunt communiceren met mensen met wie je wílt. Je gaat een individueel contact aan met een bepaald doel. Slap ouwehoeren of vakantiefoto’s delen is ook een doel. Je hebt er behoefte aan om met anderen te communiceren of te laten zien wie je bent en wat je doet. Als je daar zin in hebt en je hebt er geen moeite mee dat er allemaal mensen meelezen en zich er tegenaan gaan bemoeien, dan zijn die sociale media ideale instrumenten.

Mensen die die behoefte niet voelen, die hebben ook geen probleem. Ze missen niks. Ze hébben al contact met mensen met wie ze contact willen hebben. Ik ken zelfs hele jonge mensen die geen zin hebben om te twitteren of de hele dag op hun telefoontje te kijken of er al een nieuw bericht is. Ook populaire mensen die geen moeite hebben met de veranderde privacymoraal in onze huidige samenleving. Je hebt dus behoefte ergens aan, je ‘drive’ om in het jargon te blijven, en daarom ontdek je welke sociale media middelen zijn die je daarvoor kunt gebruiken.

ken je doelgroep
Denk je erover om sociale media voor je bedrijf in te zetten, dan denk je over om moderne communicatiemiddelen in te zetten als onderdeel van je complete marketingstrategie. Want het zijn voor het zakelijke verkeer toegevoegde communicatiemiddelen aan de reeks al bestaande. Er zijn nog steeds hele volksstammen die liever een papieren folder lezen of niet eens over een smartphone of computer beschikken. Als je een succesvolle B2C-strategie hebt ingezet, dan moet je nog steeds ook een papieren brochure of advertentie in een krant erin betrekken.

Afhankelijk van je doelgroep, trouwens. Richt je je tot <20, dan zijn alle sociale media handig. Het vergt wel enige kennis van de nieuwste lichting apps. Al gehoord van Snapchat? Path? Neem eens een kijkje op deze site met maar liefst 100 apps. Zo snel gaat het!
En ook de ‘oudjes’ doen lustig mee. Er zijn al veel gepensioneerden die weten hoe ze met een tablet of smartphone moeten omgaan. Dat zijn echt niet allemaal oud-IT’ers die verstand hebben van techniek.

conclusie
Een handige manier om te bepalen welke sociale media voor jouw bedrijf geschikt zijn is door de pagina’s 56 t/m 63 door te nemen. Daarna weet je ook of je het boek wilt gebruiken als ‘handleiding’ voor het inzetten van sociale media voor je bedrijf, of niet. Jeanet Bathoorn geeft veel praktijkvoorbeelden en een enorme berg tips waarop je moet letten, bijvoorbeeld bij het invullen van je profiel.
Heb je al meer ervaring met het gebruiken van sociale media in zakelijk verband, dan kun je beter op zoek naar een boek voor gevorderden. Dat is dit niet.

Lees verder

Van een goede vriendin kreeg ik de tip om eens te schrijven naar de communicatieadviseur bij haar interim-opdracht, omdat die had aangekondigd te zullen vertrekken en er dus een opvolger werd gezocht. Zij zei er meteen bij dat ze inschatte dat ik perfect in het profiel paste. Zo gezegd zo gedaan. En inderdaad, ik heb de opdracht ook gekregen!

Bij Rijkswaterstaat werk ik voor een ICT-programma. Zoiets had ik al eerder gedaan bij de politiekorpsen van Kennemerland en Amsterdam-Amstelland. Dat is makkelijk, want daardoor kan ik mijn aandacht vooral richten op de processen, procedures en protocollen waarmee ik minder bekend ben. Ik wil verder niet ingaan op het samenwerken met ambtenaren. Sinds ambtenaren ook 2.0 zijn is dat morele oordeel van ‘de ambtenaar als luiwammes’ achterhaald.

Wat wél interessant is, is van dichtbij meemaken hoe de rijksoverheid moderniseert en verantwoordelijkheid neemt voor wat ze met onze belastingcenten doen. Dat maakt het ook voor mij een prettige werkomgeving, want juist het nemen van je (persoonlijke) verantwoordelijkheid in de manier waarop je met anderen samenwerkt is voor mij belangrijk.

20130115-075849.jpg

Lees verder