een pleidooi om even stil te staan bij

schermafbeelding-2016-12-16-om-11-41-25De nog te lanceren website Woordkunstenaars vraagt mij of ik als tekstschrijver nog ergens wakker van lig en wat mijn leven prettiger zou maken. Ja, daar heb ik wel een antwoord op. Tot mijn verbazing begin ik te typen en het houdt niet op, die gedachtestroom.

Soms lig ik wakker van het gegeven dat het imago van iemand die voor allerlei media en doelgroepen teksten schrijft, zo laag in de rangorde staat. De rangorde van mensen die een bepaald vak beheersen, van specialisten. Een imago wordt door de buitenwereld gevormd, wat je laat zien van je identiteit bepaal je zelf.

Niet van jezelf
In mijn ogen is een manager iemand die een ander aan het werk zet en controleert of die het werk uitvoert binnen de gestelde tijd. Controleren wat je niet zelf bedenkt, hoe moeilijk kan het zijn? Moeten daar van die hoge uurtarieven tegenover staan?

Ook communicatieadviseurs bij de overheid, leraren en docenten, journalisten, mensen met kennis over een bepaald vakgebied en ervaring in schrijven voor een bepaald publiek, is de reputatie geslonken tot een soort ‘vraag-en-draai-maar’-verwachting van opdrachtgevers.

Je wordt altijd als laatste ergens bij betrokken. Je wordt dan ook nog als ‘lastig’ ervaren omdat je kritische vragen stelt. Men neemt je dan niet langer serieus en blijft liever geloven in de eigen droom. Soms is je kritiek zodanig, dat mensen je de schuld geven als het project dreigt te mislukken omdat de basis ontbreekt. Waar jij dan als communicatieprofessional zojuist de vinger op hebt weten te leggen.

De basis van ieder vak
Wat mijn leven prettiger zou maken, is als mensen beseffen dat tekst zo’n beetje aan de basis ligt van alle communicatie-uitingen. Zonder taal geen communicatie (anders dan wat geluiden), geen vehikel om over te brengen wat je wil.

Tekstschrijvers hebben maar één instrument: de taal. In zijn volle glorie, met alle uitzonderingen in spelling en grammatica, alle finesses in woordbetekenis die je je maar kunt voorstellen.

Dat de taal (steeds sneller) verandert, is al lastig genoeg om bij te benen. (En dan bedoel ik niet de zoveelste spellingswijziging.) Hoe moeilijk kan het zijn om eens stil te staan bij de ‘woordkunstenaar’ die een beetje tekstschrijver is?

Een pleidooi om even stil te staan bij
In onze tijd van technologische vooruitgang en steeds nieuwe vormen om te communiceren, staan we te weinig stil bij ons dagelijkse instrument: dat we taal hebben om een boodschap over te kunnen brengen. Dat we hebben geleerd een gezamenlijk instrument te ontwikkelen (schrift) om ook zonder klank te begrijpen wat die boodschap is.

En dat tekstschrijvers (lees: leraar, journalist, auteur, communicatieprofessional, enz. enz.) bij uitstek de mensen zijn, die de kneepjes van het instrument ‘taal’ als geen ander moeten beheersen.

Want in de ene opdracht communiceer je over technische details naar mensen die het jargon tot in de puntjes beheersen. In de andere moet je je taal zo versimpelen (tot A2 of B1-niveau), dat alle inwoners van Nederland kunnen begrijpen wat er staat.

Niet van jezelf (bis)
Schrijven in opdracht is de kunst.
Van het leren omgaan met verwachtingen en correct en gepast taalgebruik.
Van afwegingen en keuzes maken die niet populair zijn.
Van kunnen verstaan van de verborgen agenda van je opdrachtgever.
Van grote lijnen herkennen en tot in de details de vinger op de zere plek weten te leggen.
Van pietlutten die je typefouten als taalfouten kenmerken.
Van moeten omgaan met mensen die er lol aan beleven om op jouw hoofd te gaan staan.
Van het lef hebben om, ondanks kritiek van anderen, tóch jouw tekst als beter naar voren te schuiven.
Van manoeuvreren tussen nauwe marges en over dunne (grijze) lijnen.

Mijn antwoord is een blog geworden. Dat voordeel heb je dan weer als je teksten schrijft voor je beroep: de vaardigheid om je gedachten geordend en in heldere taal uit te werken tot een leesbaar stuk.